In onderstaande 6 videos overloopt professor Remmelink stap voor stap ‘whole-slide-images’ van PD-L1 IHC gekleurde NSLCL casussen en bepaaltde PD-L1 score.
Biomarkertesten kunnen dokters ondersteunen bij het nemen van behandelbeslissingen in een benadering die bekend staat als gepersonaliseerde geneeskunde; dit zorgt ervoor dat elke patiënt de meest geschikte behandeling voor zijn of haar specifieke tumor krijgt.1
Er is aangetoond dat patiënten voor wie de biomarkerresultaten beschikbaar zijn op het moment van hun eerste oncologische consultatie hierdoor kortere wachttijden tot de start van de behandeling hebben, vergeleken met patiënten waarvan de resultaten niet beschikbaar zijn.1
EGFR-mutaties die geassocieerd zijn met NSCLC komen vaak voor tussen exon 18 en 21 van het EGFR-gen. De twee meest voorkomende sensitiserende (activerende) mutaties zijn een in-frame deletie in exon 19 en de L858R-puntmutatie in exon 21; samen zijn deze goed voor respectievelijk ongeveer 45% en 40% van de EGFR-gemuteerde NSCLC-gevallen. Minder frequente sensitiserende mutaties zijn onder andere L861Q in exon 21, G719X in exon 18 en S768I in exon 20 (samen ongeveer 10%). Tumoren met deze mutaties reageren doorgaans goed op behandeling met EGFR-TKI’s. Het is belangrijk te benadrukken dat niet elke activerende EGFR-mutatie automatisch leidt tot gevoeligheid voor EGFR-TKI’s; alleen de zogeheten sensitiserende mutaties, zoals hierboven vermeld, geven een goede respons op deze therapie13-14.
De meeste inserties in exon 20 van het EGFR-gen zijn niet sensitiserend en reageren doorgaans niet op EGFR-TKI’s van de eerste, tweede of derde generatie. Volgens de ESMO-richtlijnen wordt voor patiënten met mNSCLC met een EGFR exon 20 insertiemutatie een bispecifiek monoklonaal antilichaam aanbevolen, gericht op EGFR- en MET-receptoren; deze therapie is momenteel niet terugbetaald in België2,5.
ALK-fusies ontstaan wanneer een deel van het ALK-gen wordt verplaatst naar een partnergen, wat leidt tot de vorming van een fusie-oncogen. Het meest voorkomende partnergen dat betrokken is bij NSCLC is EML4.
ROS1 is een receptor tyrosine kinase van de insulinereceptor-familie. Chromosomale herschikkingen die het ROS1-gen betreffen, kunnen leiden tot constitutieve kinase-activiteit en deze mutaties zijn geassocieerd met gevoeligheid voor TKI's in vitro.
BRAF is een proteïnekinase dat betrokken is bij de MAPK/ERK pathway, die betrokken is bij celdeling, proliferatie, overleving en differentiatie. Ongeveer 50% van de BRAF-mutaties in NSCLC is te wijten aan een puntmutatie in exon 15 (V600E), waarbij de overige 50% te wijten is aan niet-V600E mutaties. De BRAF V600E-mutatie resulteert in oncogene eigenschappen, waaronder verhoogde ERK-activiteit.
KRAS is een oncogen van de RAS-familie. Het KRAS-gen codeert voor het KRAS-eiwit, een GTPase die celsignalering reguleert en die tumorgroei, differentiatie en overleving kan bevorderen. Voorheen werd gedacht dat het KRAS-eiwit 'onbehandelbaar' was vanwege het 'gladde' eiwitoppervlak, maar de ontdekking van een pocket in KRAS met een G12C-mutatie maakte de ontwikkeling van een selectieve KRAS G12C-remmer mogelijk. De G12C-mutatie wordt gevonden bij een derde van de patiënten met KRAS-gemuteerde NSCLC.
MET is een proto-oncogen dat codeert voor een receptor tyrosine kinase. MET exon 14 skipping, veroorzaakt door moleculaire veranderingen in de omliggende intronen, leidt tot foutieve splicing van het exon. Het resulterende MET-eiwit is abnormaal en veroorzaakt oncogene signalering. Patiënten met MET-mutaties zijn gevoelig voor MET-TKI's.
RET herschikkingen ontstaan wanneer een deel van het RET-gen wordt verplaatst naar een partnergen, wat leidt tot de vorming van een fusie-oncogen. Partnergenen die betrokken zijn bij NSCLC omvatten KIF5B, NCOA4, en CCDC6. RET herschikkingen veroorzaken constitutieve activering van RET-signalering, wat leidt tot tumorcelproliferatie en overleving.
Het HER2-gen codeert voor een receptor tyrosine kinase. Mutaties in het HER2-gen komen het vaakst voor in exons 18–21. HER2-activerende mutaties worden geassocieerd met een respons op anti-HER2 geneesmiddelen.
Fusies in de NTRK1/2/3-genen leiden tot de expressie van een constitutief actief eiwit en abnormale TRK-signalisering. NTRK1/2/3-genfusies worden geassocieerd met responsiviteit op orale TRK-remmers.
De PD-1/PD-L1-route is een belangrijk checkpoint die door tumorcellen wordt gebruikt om anti-tumorale immuunresponsen te remmen. In-vitro analyse suggereert dat PD-L1 door longkankercellen kan worden overgeëxprimeerd door de werking van omringende cytokinen, wat de eliminatie van tumorcellen door T-cellen verhindert. PD-1/PD-L1-remmers zijn effectieve therapieën bij tumoren met een hoge PD-L1-expressie, aangezien de interactie tussen immuuncel-PD-1 en tumorcel-PD-L1 wordt voorkomen, waardoor een natuurlijke immuunrespons tegen de tumor wordt bevorderd. Daarbij is respons ook mogelijk bij lagere PD-L1-expressie, afhankelijk van de gekozen cut-off in klinische studies.
In onderstaande 6 videos overloopt professor Remmelink stap voor stap ‘whole-slide-images’ van PD-L1 IHC gekleurde NSLCL casussen en bepaaltde PD-L1 score.
Figuur gemaakt met data uit Ratcliffe MJ, et al.
Referenties:
Ratcliffe M, et al. Agreement between programmed cell death ligand-1 diagnostic assays across multiple protein expression cutoffs in non-small cell lung cancer. Clin Cancer Res 2017;23:3585–91; Tsao MS, et al. PD-L1 immunohistochemistry comparability study in real-life clinical samples: results of Blueprint Phase 2 Project. J Thorac Oncol 2018;13:1302–11; Rimm DL, et al. A prospective, multi-institutional, pathologist-based assessment of 4 immunohistochemistry assays for PD-L1 expression in non-small cell lung cancer. JAMA Oncol 2017;3:1051–8; Adam J, et al. Multicenter harmonization study for PD-L1 IHC testing in non-small-cell lung cancer. Ann Oncol 2018;29:953–8.
Het verkrijgen van kwalitatief hoogwaardig tumormateriaal is van cruciaal belang voor het klinisch beheer van NSCLC, omdat het biomarkertesten en stadiëring van de ziekte mogelijk maakt. Het adequaat verkrijgen van tumormateriaal bij de eerste biopsie maakt het mogelijk om meerdere testen uit te voeren zonder dat later opnieuw een staal moet worden afgenomen.
In deze 2 video’s bespreekt Dr. Neal Navani (Consultant Respiratory Physician, University College London Hospital, London, UK) het belang van nauwkeurige stadiëring en optimale staalverzameling voor patiënten met een vermoeden van niet-kleincellig longcarcinoom in een vroeg stadium. Daarnaast biedt hij inzichten in toekomstige perspectieven en nieuwe bronchoscopische technieken.
Deze sessie behandelt strategieën en technieken voor het nauwkeurig bepalen van het ziektestadium en het verkrijgen van hoogwaardige weefselstalen bij patiënten met een vermoeden van NSCLC in een vroeg stadium.
In deze sessie worden toekomstige ontwikkelingen en innovatieve bronchoscopische technieken besproken die de diagnostische en therapeutische benaderingen voor NSCLC kunnen verbeteren.
Naast moleculaire analyses om behandelingsbeslissingen te nemen bij resectabele niet-kleincellige longkanker, groeit de belangstelling voor de toepassing van pathologische merkers om de respons op neoadjuvante behandelingen te evalueren. Pathological complete response (pCR) en major pathological response (MPR) zijn vroege eindpunten die momenteel worden onderzocht in neoadjuvante studies en die mogelijk een correlatie vertonen met klinische uitkomsten bij patiënten met resectabele NSCLC.17 De onderstaande video biedt een overzicht van pCR en MPR, inclusief de berekeningen en technische overwegingen die hierbij komen kijken.
Dr. Dieter Peeters, patholoog (AZ Sint-Maarten en CellCarta), beantwoordt de volgende vragen:
*% residual viable tumor.
Referenties terug te vinden in de video.
Een andere opmerkelijke biomarker die wordt onderzocht bij vroegstadium niet-kleincellige longkanker is het gebruik van de kwantificatie van circulerend tumor DNA (ctDNA), dat kan dienen als indicatie voor minimal residual disease (MRD), om de kans op terugkeer van de ziekte te monitoren.18 De aanwezigheid van ctDNA MRD kort na een volledige resectie is geassocieerd met een verhoogd risico op herval.19 Er zijn echter enkele uitdagingen die overwonnen moeten worden voordat ctDNA MRD routinematig kan worden toegepast, waaronder de beperkte toepasbaarheid bij patiënten met een zeer vroege ziektestatus (Stadium I) vanwege de lage frequentie van detecteerbaar ctDNA.18
Liquid biopsy bij vroegstadium longkanker
Liquid biopsy komt in klinische studies en onderzoek naar voren als een waardevol hulpmiddel in het management van vroegstadium longkanker, vooral bij het detecteren van circulerend tumor DNA (ctDNA) als indicatie voor minimale restziekte (MRD). Deze niet-invasieve benadering biedt interessante mogelijkheden voor het sturen van behandelingsbeslissingen en het monitoren van herval. Het is belangrijk op te merken dat liquid biopsy in het vroegstadium momenteel nog wordt gevalideerd en onderzocht, en nog niet op ruime schaal in de klinische praktijk is geïmplementeerd.
Onze ondersteuning aan de Belgian cfDNA Oncology Meeting onderstreept ons engagement voor samenwerking met zorgverleners, onderzoekers en beleidsmakers. We streven er gezamenlijk naar om het potentieel van liquid biopsy optimaal te benutten, zodat patiënten de best mogelijke therapie voor hun specifieke tumor kunnen ontvangen.
Tijdens het wetenschappelijke symposium presenteerden experts de technische en klinische toepassingen van ctDNA. Het evenement belichtte innovaties in vloeibare biopsieën en gepersonaliseerde oncologische behandelingen die precisiegeneeskunde bevorderen.
Afkortingen:
ALK, anaplastic lymphoma kinase; BRAF, B-Raf proto-oncogene; EGFR, epidermal growth factor receptor; HER2, human epidermal growth factor receptor 2; KEAP1, Kelch-like ECH-associated protein 1; KRAS, Kirsten rat sarcoma virus; MET, MET proto-oncogene, receptor tyrosine kinase; MSI, microsatellite instability; NTRK1/2/3, neurotrophic tyrosine receptor kinase 1/2/3; PD-1, programmed cell death-1; PD-L1, programmed cell death ligand-1; RET, rearranged during transfection; ROS1, ROS proto-oncogene 1; STK11, serine/threonine kinase 11; TMB, tumor mutational burden; ctDNA, circulating tumor DNA; cfDNA, cell-free DNA; CAP, College of American Pathologists; AMP, Association for Molecular Pathology; NCCN, National Comprehensive Cancer Network; ESMO, European Society for Medical Oncology; IASLC, International Association for the Study of Lung Cancer.
Referenties:
NS ID XL-6180-Revision date 04/2026-WEB Local code: 892